Dolle Dinsdag

Op dinsdag 5 september 1944 ontstond in Nederland grote opwinding. Voor Radio Oranje gaf minister-president Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961) de indruk dat de bevrijding van Nederland slechts een kwestie van uren kon zijn. Voortdurend zond Londen radioberichten uit waarin verzetslieden met nadruk werd meegedeeld vooral de aanwijzingen van hun commandanten te volgen en niet op eigen initiatief aan de slag te gaan. Deze aanwijzingen versterkten het gevoel dat het moment van handelen was aangebroken. Leden van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland (NSB) en hun gezinnen pakten haastig hun biezen. Uit het westen van Nederland vertrokken bijna veertig extra treinen in oostelijke richting. De treinen waren volgepakt met leden van de NSB en hun gezinnen. In deze overwinningsroes ontstonden gevaarlijke situaties, omdat op diverse plaatsen het verzet bovengronds kwam en sommige onderduikers zich openlijk op straat vertoonden. Deze dag werd later Dolle Dinsdag genoemd.

In Rotterdam verkondigde de draadomroep dat Rotterdam was bevrijd. Bij het Hoofdkwartier van de RVV in Rotterdam reden motorordonnansen aan en af. Op een andere plaats in Rotterdam bezochten veel leden van de LKP te voet of per fiets het Hoofdkwartier van de Landelijke Knokploegen. Het Hoofdkwartier van de Ordedienst, in de Amsterdamse Koepelkerk, werd die dag door ruim zeventig personen bezocht. In de Gereformeerde kerk aan de Keizersgracht in Amsterdam werden de leden van de knokploegen van die stad geconcentreerd. Hier en daar ging men over tot de arrestatie van NSB’ers. In Breda vertaalde de euforie van de komende bevrijding zich door Duitse troepenverplaatsingen. Duitse eenheden die met het oog op de geallieerde doorstoot niet meer in Breda benodigd waren kregen opdracht de stad te verlaten om elders hun positie in te gaan nemen. Drs. A.van der Poel, de Gewestelijk commandant van het Gewest 16 mobiliseerde zijn Staf en hij begon op het Hoofdkwartier in Breda de maatregelen te treffen die jhr. Pieter Jacob Six, de leider van de landelijke OD, had voorgeschreven. Vanuit het Hoofdkwartier in Amsterdam waren inmiddels voor iedere Gewestelijke commandant twee opdrachten uitgegaan. Om de onderlinge verbindingen te waarborgen kregen de commandanten de opdracht om voordat de geallieerden hun Gewest bereikten in het buitengebied van hun Gewest niet te ver van het hoofdkwartier radioposten in te richten. Daarnaast diende er een afwerpterrein te worden ingericht zodat wapens en materieel dat door het Bureau Bijzondere Opdrachten vanuit Engeland boven bezet Nederland werd afgeworpen kon worden ontvangen.

Deel dit artikel

Over Onno Brautigam